Reactie op Yves Desmet (http://www.demorgen.be/opinie/heeft-niet-iedereen-recht-op-een-jaar-twijfelruimte-a2131946/)

Yves,

Ik kom uit een gewoon arbeidersgezin. Nooit arm geweest, nooit echt schatrijk geweest. Mijn ouders zijn werkers. Zelfs nu ze op pensioen zijn, hadden ze liever gaan werken. Ze werken van hun veertiende al. Ja, die generatie.

Ikzelf ben op het moment van schrijven 31. Je kan dus de klok twaalf jaar terugdraaien en, kijkend naar wat er allemaal gezegd wordt over verder studeren, vragen aan mij: “wat deed jij op je achttiende? Twijfelde jij nooit over wat je wou studeren aan de hogeschool of de universiteit?”.

Mijn antwoord is simpel. En ik weet zeker dat ik niet de enige ben die in die situatie zit. Maar misschien toch eventjes een kort relaas over mijn schoolloopbaan. Toen ik uit het lager onderwijs kwam, had ik een voorliefde voor taal. En ook Engels kon ik al een mondje praten. Logisch, dat mijn keuze naar een talenrichting zou uitgaan.

Niets van dit alles. Mijn vader had in de vakschool gezeten. Werken met je handen. Dat is werken. Ik moest er ook naartoe. Dat ik totaal onhandig was en meerdere malen in mijn vinger zaagde in de lagere school, dat deed er niet toe. Ik zou *iets* worden met mijn handen. Want met je handen werk je. Niet met je hoofd. En er is werk (we schrijven het jaar 1994).

Twee jaar lang heb ik afgezien in plaats van school gelopen, tot ik op het derde naar het Handel-Talen verkaste. Dat was mijn dada, ware het niet dat er wiskunde aan te pas kwam. Want getallen, ik háát die. Dat ik het tweede jaar Industriële Wetenschappen volgde (omdat ik niet anders kon) zal er ook wel iets mee te maken hebben: ik liep voor op alles wat taal was en zat achter op alles wat techniek was.

Ik dus naar dat derde jaar Handel-Talen. Het vierde. Het vijfde. Daags voor de kerstexamens overleed mijn tante op vijftigjarige leeftijd. Not good. Zeker niet voor een puber. Ik liet het wat varen, had negen tekorten. Waarvan ik er zes ophaalde. Niet genoeg. Richting BSO. Anders raak ik een jaar kwijt, zei mijn vader. Het CLB zweeg, luisterde niet naar mij. Al ben ik van mening dat ik de richting wel aankon, maar goed, het is nu zo. Desinteresse, apathie. Ik geraak er wel. Dan ga ik naar het hoger, mijn A1 doen. Dacht ik. Al werd er met geen woord gerept over universiteiten, hogescholen, zelfs de B1 werd angstvallig geheim gehouden voor het werkvee-in-spé, stel je voor dat ze iets zouden bijleren! Maar ik zou mijn A1 doen. In Germaanse talen, liefst. Of iets met taal.

Dat was dan buiten de waard (mijn vader) gerekend. “Ik ben maar tot mijn veertiende naar school geweest. Er is werk. Verder studeren, niets voor jou. Er is werk. De fabriek. Interims. Er is werk.” (we schrijven het jaar 2001, en ‘crisis’ is al met groot zelfvertrouwen naar ons landje aan het marcheren). Dan maar een job zoeken, op een bureau, want, ik heb daarvoor geleerd. Secretariaat-talen, weet je wel.

Niets van dit alles. Zo kom je uit het BSO met de capaciteiten van iemand die vijf jaar in het TSO gezeten heeft. Zo spreek je drie talen vloeiend, met noties van twee andere. BSO. Dacht je van je hoger onderwijs te doen? Vergeet het. Jij komt uit het BSO. Jij bent werkvee. Jij kan nog geen één coherente zin neerpennen. We hebben werk voor je. Glasplaten snijden. Maar mevrouw, ik spreek vijf talen! Neen: BSO. Je papiertje zegt het.

Postbode geworden. Frustratie. Kwaadheid. Pijn. Fysiek, psychisch. Dit ben ik niet. Dag in, dag uit. Dag in, dag uit. Dit ben ik niet. Dit bén ik niet. Moeten blijven opboksen tegen de vooroordelen die er zijn over het BSO en zijn inzittenden. Depressie. Dit ben ik niet! Verkwanseld potentieel. Dit ben ik niet. Toch maar verder leren. Iets gevonden. HBO5. Heel beperkt, die aangeboden studierichtingen. Nu ben ik er bijna. Afgestudeerd. Uitweg? Arbeidsmarkt. Geen universiteit.

Dit ben ik niet.

Ik snap de bekommernissen wel om de eerstejaars die er niet door zijn toch nog aan boord te laten. Maar vergeten we de andere groep niet: zij die nooit eerstejaars kunnen zijn. Zij die, zij het uit financiële of – zoals bij mij – ideologische overwegingen, nooit een hogeschool of universiteit van dichtbij kunnen zien. Doe er iets aan. Luister naar ons.

A great mind is a terrible thing to waste.

Advertenties