Dit als reactie op het voorpagina-artikel van dS op 28 september 2016. Daarin oppert de rector van de Universiteit Hasselt dat universiteiten, net als vroeger, terug elitair worden.

Helaas moet ik hem daar gelijk in geven. De oorzaken? Even illustreren met mijn voorbeeld, gekruid met wat dingen die ik in de les Sociologie geleerd heb.

Klassen

En wat ik nu vertel is Sociologie 101. Denken we eens aan de stratificatie: Hogere, midden-, lagere en onderklasse. Mensen uit de lagere klasse en de onderklasse stimuleren hun kinderen vooral om zo snel mogelijk geld te verdienen. Dat moet niet veel geld zijn, dat moet vooral zo snel mogelijk zijn. Vanaf hun achttiende, dus, wanneer ze het secundair vaarwel zwaaien. Tijd om geld in het laatje te brengen. In een fabriek, bij voorkeur, soms zelfs bij de ouders zelf in het zelfde bedrijf. En zo wordt de vicieuze cirkel in stand gehouden. Protesteren kan niet, want net door de onderlinge financiële afhankelijkheid hangen de lagere klassengezinnen strikter aan elkaar en wordt de autoriteit van (veelal) de pater familias niet in vraag gesteld. Befehl ist befehl. Het kritische denken waar men zo hoog mee oploopt in de universiteiten (durf denken) is uit den boze: vader heeft gelijk. Als wit wit is en vader zegt dat het zwart is, is het zwart. Uit mijn eigen leven kan ik aanhalen dat mijn beslissing om voor een graduaat te gaan – ook al was het ’s avonds en onderbrak dat dus mijn werkschema niet drastisch – niet op gejuich werd onthaald, integendeel.

Mensen uit de hogere klassen daarentegen hechten meer waarde aan (zelf)ontplooiing. Daar worden de kinderen al van jongs af aan aangespoord om hun talenten aan te boren en (relatief) onafhankelijk te zijn. En dat vertaalt zich dan meestal ook in een studiekeuze in het ASO en daaropvolgend universiteit.

Niveau

Echter, soms resulteert dat in situaties die in de twee richtingen kunnen werken. A komt uit een gegoede (hoogopgeleide) omgeving en kiest ASO, ook al kan hij dat niet aan. Hij gaat daarna naar de universiteit want een diploma is heel belangrijk. B komt uit een laaggeschoolde omgeving en is erg knap (verstandelijk). Helaas hebben zijn ouders geen brood gezien in een verdere opleiding en wordt de zoon linea recta richting vakschool gestuurd, om een metier te leren. Want dat leer je in een vakschool. Klaar om de arbeidsmarkt te bestormen, op je achttiende. Potentieel verknald.

Perceptie

Het probleem ligt eigenlijk al in de wieg. Waar in hooggeschoolde omgevingen ook wel neergekeken wordt op de laagopgeleide onderklasse, is dat in de arbeidersmilieus minstens even ‘erg’.

Universiteiten worden er afgeschilderd – als er al van gepraat wordt, wat in mijn geval niet zo was – als bastions waar jij vooral niet zal geraken, iets dat vooral voor de ‘anderen’ (lees: rijkeren) is, je toekomstige bazen. Het woord ‘universiteit’ wordt uitgesproken als was het een vuile ziekte, in een intonatie die weinig goeds voorspelt. Protserig, zeg maar.

Universiteitsstudenten worden dan weer geportretteerd als luiaards, tamzakken en broekverslijters die eigenlijk niets anders doen dan vijf jaar verlof pakken. Minstens vijf jaar.

Wij tegen zij

Beelden die van beide kanten begrijpelijk zijn, maar kant noch wal raken. Willen de universiteiten minder elitair zijn en een erfelijke meritocratie nog steeds een doembeeld van de toekomst blijven, dan moeten de universiteiten de kinderen van laaggeschoolden rechtstreeks aanspreken.

Aan de ouders moet je het niet uitleggen, die zijn al vastgeroest in hun perceptie. Ga naar de vakscholen, ga naar het BSO. Stel de universiteit voor in simpele, maar correcte bewoordingen. Leer hen dat ze ook verder kunnen studeren met hulp van de overheid als thuis niet wil / kan tussenkomen. Toen ik mijn laatste twee jaar in het BSO doorbracht, werd er met geen woord gerept over de universiteit, of de hogeschool.

Eigenlijk moet je al vóór de sprong naar het secundair eens kunnen spreken over de universiteit. Voor mij is het te laat. Maar misschien voor de komende generatie nog niet.

Advertenties