Ik ben bezig met een boek. Althans, dat probeer ik toch. Voor mensen die het zouden willen lezen, of zien waarover het gaat, zie hier het eerste hoofdstuk, integraal op WordPress:

Zijn vingers stonden stokstijf van de vrieskou die overal aanwezig was. Hij morrelde aan het slot van zijn voordeur. Zelfs de huissleutel werkte hem tegen. Het was weer zo’n dag. Zo’n dag, waarvan hij de goden verdacht zelf een hand te hebben in zijn ongeluk. De goden. Nog zo’n onderwerp waarvan hij vroeger zo zeker was, waarvan hij dacht de grote waarheid in pacht te hebben.

Als er één iets was waar zijn job wel goed voor was, was het wel zijn wereldbeeld. Nog steeds was hij er rotsvast van overtuigd dat er geen god was in de puur Christelijke zin, of wat hij daar toch onder verstond. Geen man met een ellenlange witte baard die op een wolkje zit te kijken wat iedereen doet en hen straft uit liefdadigheid.

Maar reïncarnatie? Reïncarnatie, dat was iets waar hij meer en meer in geloofde. Hij geloofde immers meer en meer in de theorie dat hij zijn job niet kreeg dan wel verdiende. Hij moest echt wel een héél slecht mens geweest zijn om nu in dit leven zo gekweld te zijn.

Hij wist hoe hij er aan toe was: slecht betaalde job, weinig promotiekansen, een lamentabel sociaal leven en een liefdesleven dat op een laag, zo niet dood, pitje stond. Hij was eigenlijk een product van een kruispunt van twee samenlevingen.

De eerste, een producerende samenleving. De arbeidersklasse brengt arbeidersklasse voort. Goedkoop en vervangbaar vlees voor de machines: de draaibank, de schaafmachine, het weefgetouw. De tweede, de kennismaatschappij. Gefocust op soft skills, targets. Niet wat je kunt is belangrijk, wel wie je bent. Wie je kent. En hij valt daartussen. Tussen wal en schip.

Hij was voorbij de dertig, voorbij de vijfendertig, zelfs. Al wou hij dat zelf niet toegeven. Hij had blauwe ogen en grijzend haar. Hij was al jong grijs geworden. Een ontwikkeling die hij ooit trachtte tegen te gaan door het overvloedig kleuren van zijn haar. Alsof hij kon vechten tegen de tijd. Alsof hij wél de bierkaai de baas zou kunnen. Tot hij ook daar de brui aan gaf.

Eindelijk paste de sleutel in het sleutelgat en kon hij de kilte van zich afschudden in de woonkamer van zijn kleine, goedkope arbeidershuis. De kamers geverfd in pastelkleuren gaven een troosteloze aanblik, die weerspiegeld werd in zijn gelaatsuitdrukking. Hij had geen spiegel nodig om die te zien. Hij wist dat zijn gezicht de sporen droeg van zijn hard bestaan.

Hij gooide zijn rugzak op de grond. Zijn rugzak was al twintig jaar zijn trouwe metgezel. Sinds zijn eerste werkdag nam hij die, apetrots als hij toen nog was, mee naar kantoor. De inhoud? Een plastieken boterhamdoos waar er nog steeds chocopasta van twee dagen ervoor tegen de wanden plakte. Een appel die door zijn eigen onhandigheid op de vloer van het pakhuis belandde. De appel was niet meer maagdelijk groen maar vertoonde een bruine plek waar hij onzacht in aanraking kwam met de vloer.

Vervolgens ontdeed hij zich van zijn lange, grijze regenjas. Het was de werknemers zeker niet verboden om in volledig uniform naar huis te gaan, maar hij kon het niet meer. Hij schaamde zich dood voor wat hij geworden was. Een uithangbord zijn van een bedrijf dat hem eerlijk gezegd uitkneep, uitbuitte en uitspoog, en dat na zijn uren, dat kon hij niet aan. De fluo-geel-met-groene regenjas lag op de passagierszetel van zijn wagen, en zou tot de volgende dag onaangeroerd blijven. Zelfs het aanraken van die jas confronteerde hem met zijn mislukkingen in het leven.

Zijn uniform dat hem omsloot als een mobiele gevangenis brandde om zijn lijf. Het was een stigma, zeker in deze tijden van automatiseringen waarin facteurs, want dat was de titel die mensen hem toedichtten, relieken waren van een vervlogen tijd. Postbodes, dat waren in de perceptie van de mensen overbetaalde nietsnutten die eigenlijk de weg zouden moeten opgaan van de handgeschreven brief. En toch was hij postbode, hier, in de 21ste eeuw. Een postbode, in de traditie van de Perzische Koninklijke Weg, die van de Cursus Publicus over de rondtrekkende spekslagers tot de postbodes van nu is beland.

Hij was al lang geen postbode meer zoals die er vroeger waren: de zwarte, lederen riem van de posttas om de nek geslagen. Of om het stuur van zijn zwarte, zware fiets. De kepie op het hoofd die aanduidde dat hij voor de staat werkte. Een persoon die er nog stond. Die weliswaar nooit gezag afdwong als de blinkende knopen van de rijkswachters ooit deden, maar toch: de mensen respecteerden hem wel, in zijn beginperiode. One-on-one telecommunicatie was beperkt tot de telefoon, voor al de rest had je nog briefpost nodig.

Maar dat was toen. Van dat statig uniform is nu maar bitter weinig meer over. Hij liep eigenlijk gehuld in lompen die groen en geel waren geverfd, en die door kindertjes in lageloonlanden voor een prikje in elkaar gestikt waren. Of niet, want bij elke kledijlevering was er wel iets dat door de mazen van het net glipte.

Hij trok zijn uniform uit en zijn alledaagse kledij aan. Hij dacht er nog aan hoe bevrijdend dat telkens voelt als hij zijn gevangenisplunje, zoals hij dat telkens beschreef, ergens tegen kon kwakken. Behalve die keer dat het bundeltje tegen zijn bureaulamp belandde.

Snel haalde hij de porseleinen theepot in koeienmotief uit de kast en zette hij die op het aanrecht. Dat was een vast ritueel geworden. Na de dagtaak telkens een kopje thee, om de gedachten te verzetten, om even “weg” te zijn. Althans, dat was het idee toch. Want zo gauw als de sneeuw is verdwenen, gaat ook dat ritueel terug de kast in. Tot het volgend jaar.

Maar nu was het winter. Zo voelde het toch. Het was nog maar oktober, maar Koning Winter had besloten om het land te vereren met een vroeg bezoekje. Het gefluit van de fluitketel was een perfecte imitatie van hoe hij zich vanbinnen voelde: onder druk, klaar om uit elkaar te barsten. De kop thee bracht een beetje soelaas. De specerijen vervingen de wrange smaak van het falen die al ettelijke jaren zijn gehemelte vulde, al was het maar voor een tijdje.

‘Waarom doe ik dit mezelf toch aan?’ vroeg hij zich elke dag af. Hopend dat er misschien ooit een tweede stem die de zijne niet was eindelijk een antwoord zou geven dat steek houdt, maar het bleef weer eens ijzig stil.

Een deel van het antwoord wist hij wel al. Hij was immers zo opgevoed. Als de ouders het been zijn waarop de kinderen hun tanden slijpen, dan was het toch al een heel stuk duidelijker waarom zijn leven net zo uitdraaide.

Zijn moeder was een fragiel oud vrouwtje dat van het leven net die éne klap te veel kreeg. Opgegroeid in een groot gezin ergens langs de grens met Frankrijk en omwille van de textielnijverheid naar de grote stad getrokken. Ze was opgegroeid in relatieve armoede, en was dan ook maar wat trots toen ze haar gezin, door te gaan werken vanaf haar veertien jaar, een zekere levensstandaard kon aanbieden. Nadat de textielfabriek failliet ging, sleet ze de laatste jaren van haar professionele carrière als werkneemster bij de lokale overheid. Doordat ze zo veel werkte, was ze ook zo vol van het werken an sich: werk is goed, en niettegenstaande ze op pensioen was, zou ze, als ze kon, zo terug aan de slag gaan. Ze was van het soort dat liever werkt dan dat ze thuis zit. Wat ze echter niet doorhad, was dat de achteruitgang van haar fysieke toestand grotendeels te wijten was aan de vele uren die ze doorbracht aan weefgetouw of steekkar. Elke aanval op het instituut “werk” of “loonslavenarbeid” aanzag ze dan ook als een aanval op haar persoon. Als een paladijn verdedigde ze het werken verbaal met hand en tand. Niet zonder enige (ongepaste) trots orakelde ze te pas en te onpas dat haar zoon postbode was.

Zijn vader was een gepensioneerd metaalarbeider die werkte bij een lokale wasmachinefabrikant. Hij had voor zichzelf een andere carrière uitgestippeld. Zijn broer zat bij de commando’s in Zaïre ten tijde van de onafhankelijkheid en daarom was hij vrijgesteld van de dienstplicht. Hij zag wel wat in het militarisme en daarom tekende hij toch voor de paracommando’s. Na zijn dienstplicht wou hij ook bijtekenen om beroepsmilitair te worden. Dat was buiten zijn moeder gerekend. Zij hield hem tegen en zo nam hij dan maar genoegen met een bestaan als loonslaaf. Toch was hij niet helemaal verloren: hij kon zijn militaristische neigingen botvieren in de thuissituatie. Nu hij op pensioen was, deed hij bitter weinig meer dan in de zetel horizontaal aanwezig te wezen, vette troep naar binnen spelen en dat weg te wassen met copieuze hoeveelheden alcohol. Hij was een weinig lamentabele man, die overleed aan de gevolgen van aderverkalking.

Het gezin was een doorsnee arbeidersgezin. Van veertig jaar geleden. Vader zwaaide de scepter. Hij duldde geen tegenspraak. Zijn wil was wet. Hij hield zijn macht angstvallig vast en brulde en tierde dat het een lieve lust was.

Zijn jeugd was een relatief gelukkige. Er was wel vaak ruzie thuis, maar als je een introvert persoon bent, heb je wel nog het voordeel dat je je héél klein kan maken, onbestaand zelfs. Je kunt dan wegkruipen in een klein hoekje, met of zonder boek, en hopen dat het snel weer overwaait. De grond waar zijn ouderlijk huis stond, bevatte naast het “hoofdhuis” ook een “kot” en een garage. Dat was ver genoeg van de woonkamer waar het vroeger wel eens durfde kletteren. Ruzie was trouwens iets opvallend eenzijdig in Max’ huis. Het begint met vader die een controversiële mening uit, hoe controversiëler, hoe liever. Max gaat daar tegen in, vaak ingegeven door maatschappelijk engagement. Vader reageert, Max reageert. En dan schreeuwt moeder de boel bij elkaar, en is er een consensus: vader heeft gelijk.

En je had dan ook school, natuurlijk. Kleuter- en lager onderwijs werden voor alle kinderen van het dorp aangeboden in een school die naast die leerjaren ook secundair onderwijs aanbood en gerund werd door de Zusters Van Liefde. De testen die Max aflegde, duidden op een fijner taalgevoel. Maar handigheid, dat was niet zijn ding. Het stond dus in de sterren geschreven dat hij zijn secundaire schoolloopbaan zou aanvangen in de middelbare school van de lokale zusterorde.

Maar zijn vader zag dat anders. Hij had school gelopen in de vakschool. En wat er ook van zij, Max zou hetzelfde lot beschoren zijn.

Graag commentaar!

Advertenties