Dag mevrouw De Saeger

In De Standaard 23/01/2018 is er een opiniestuk van u geplaatst. Ik ga volmondig akkoord met de grote lijnen die u daarin uittekent van een onderwijsvorm waar niet alleen ‘kunnen’ maar ook ‘kennen’ een plaats krijgt.

Tenminste, als ik de grote lijnen van het verhaal wel zie. Want ik ben een van de zovele aangespoelden, die na zeven jaar secundair dit-en-dat gedaan hebben, nergens echt een krak in is, en van alles op de hoogte is. A Jack of all trades and a master of none, zoals het cliché wil.

Ja, ik ben een kind van het BSO. Het is te zeggen, na vijf jaar TSO ben ik richting BSO geschopt geweest. Dat ik niet echt opgezet was met die beslissing kan, volgens mij, al afgeleid worden uit mijn voorgaande zin.
En onderwijs ligt me na aan het hart. Ook het Nederlands, trouwens, want ik ben ooit begonnen aan een opleiding leerkracht Nederlands. Tot een arrogant en racistisch varken alle hoop in de kiem smoorde.

Goed, de dingen zijn zoals ze zijn, en ik heb nu mijn zevende jaar BSO op zak. Waar je eigenlijk niets leert. En ook dat is weer een leugen. Je leert er niets, en tegelijk zoveel. Je leert er flink zijn. Je leert er je werk doen. Je leert dat je moet zwijgen en braaf zijn. Wat je er niet leert, zijn die zovele, ongetwijfeld interessante, literatuurverwijzingen die je kan gebruiken in opiniestukken allerhande.

Lucebert? Jeroen Brouwers? Jotie T’Hooft? Raskolnikov? Dien avond en die roze? Nog nooit van gehoord. En dat is spijtig. Die slinkse middeleeuwse vos hebben we wél geleerd, zij het dan oppervlakkig.

U breekt terecht een lans voor het behoud van ‘kennen’. Opdat de ‘a’ in ‘aso’ niet zou verarmen. Maar zou het niet goed zijn, om ook in het BSO wat meer ‘a’ te zijn? Geef ook hen – ons – een basis cultuur, literatuur en dies meer. Ik weet dat het leerplan het niet toestaat – de arrogantie dat je geen Masterdiploma moet hebben om les te geven in de derde graad BSO (want die krijgen toch geen diploma na hun zesde) spreekt boekdelen, als het gaat over wat het leerplan eigenlijk van het BSO denkt – maar ik denk dat ook in het BSO cultuur en kunst kunnen gesmaakt worden.

Want, ik kom uit vijf jaar TSO en twee jaar BSO. Ik wéét wat het verschil is tussen de twee onderwijsvormen. De school waar ik TSO volgde, had immers ook een ASO-afdeling. Elk jaar was er toneel. Aso maakte het, TSO mocht gaan kijken, en BSO? Tja, BSO mocht braaf zwijgen, want dat interesseert hen toch niet. Stel je voor, dat door cultuur ook een BSO’er mondig wordt. Dat ook hij zijn lot in vraag zou stellen. Dat kan toch zomaar niet? Dat is een grote schande, en toch denkt de maatschappij, en de onderwijsverstrekker, nog grotendeels in zo’n termen.

Ik begrijp echt wel dat je niet met ‘zware’ literatuur moet afkomen in het BSO. Maar dat deze kan getoetst worden aan voorbeelden in de eigen leefomgeving, zou toch niet zo ver gegrepen mogen zijn.

Maar goed, we leven, we dromen.

Advertenties