Mark Magazine. What the fuck.

Ik weet niet of het een bijlage bij één of andere krant was, maar ik zag in het toilet (nu ja, het kamertje, hé, niet het toilet zelf) een exemplaar liggen van Mark Magazine.

Wat staat daar op de cover? Een zin over “het eerste loon” en een mannetje dat zich opmaakt voor de spiegel – wellicht voor de eerste werkdag of sollicitatie. Het werd toen al duidelijk dat dat blad het niet echt over àlle jongeren zou hebben.

Hoezo, hoor ik je al denken, àlle jongeren? Iederéén studeert toch verder? Er worden toch veel meer hogere diploma’s uitgereikt?

Ja en neen. Het mooiste voorbeeld vind je in Mark Magazine. Een magazine dat (deze keer) handelt over je eerste werkervaring.

Ik ga al meteen een eerste droomballonnetje kapot prikken: het gaat niet om de achttienjarige schoolverlater. Want, er wordt veel georakeld over doorgroei, cultuur, veilige werkomgeving, …

De doelgroep voor deze goednieuwsshow in een marketingblaadje zijn de (ten minste) 23-jarige schoolverlaters met een master (of twee) op zak. En dat is het net: op de statistieken wordt geen rekening gehouden met het feit of er een ma-na-ma of een ba-na-ba of een eerste bachelor wordt uitgereikt.

Dus elke geluksvogel die wél kan verder studeren, verneukt de statistieken voor de achttienjarige die niet mag / kan verder studeren (ja, ook ik) als hij voor zijn ma-na-ma gaat. Want iedereen krijgt kansen, volgens de statistiek, als je de 18-jarigen en de statistieken voor de hogere diploma’s naast elkaar legt…

Welnu, beste Mark Magazine, niets is minder waar. Er zijn achttienjarigen die na het secundair niét verder kunnen / mogen. Waar de hoger opgeleide bedolven wordt onder informatie (wat wil je eigenlijk? Loon? Sfeer? en hoeveel wil je verdienen?) was dat voor mij niet het geval.

Ik kreeg als 19-jarige een trap onder mijn kont en mocht in de post gaan werken. Niets yolo, niets mooi leven, niets loononderhandelingen (het zou wel eens handig zijn te weten dat er ook nog andere functies dan young starter zijn in De Post, weetwel, zij die wél werken en niets verdienen).

En wat die werkomgeving betreft: een triestige, niet-opgesmukte (de theorie van Mayo) loods (ik heb koeien nog in betere stallen weten zitten) waar godbetert één plantje staat (zijn bladeren te verliezen).

Mark, misschien volgende keer ook de andere kant laten zien? De kant van hen die niét bij de yolo’s van de maatschappij zitten?

Hoofdstuk 1 van wat misschien mijn boek kan worden.

Ik ben bezig met een boek. Althans, dat probeer ik toch. Voor mensen die het zouden willen lezen, of zien waarover het gaat, zie hier het eerste hoofdstuk, integraal op WordPress:

Zijn vingers stonden stokstijf van de vrieskou die overal aanwezig was. Hij morrelde aan het slot van zijn voordeur. Zelfs de huissleutel werkte hem tegen. Het was weer zo’n dag. Zo’n dag, waarvan hij de goden verdacht zelf een hand te hebben in zijn ongeluk. De goden. Nog zo’n onderwerp waarvan hij vroeger zo zeker was, waarvan hij dacht de grote waarheid in pacht te hebben.

Als er één iets was waar zijn job wel goed voor was, was het wel zijn wereldbeeld. Nog steeds was hij er rotsvast van overtuigd dat er geen god was in de puur Christelijke zin, of wat hij daar toch onder verstond. Geen man met een ellenlange witte baard die op een wolkje zit te kijken wat iedereen doet en hen straft uit liefdadigheid.

Maar reïncarnatie? Reïncarnatie, dat was iets waar hij meer en meer in geloofde. Hij geloofde immers meer en meer in de theorie dat hij zijn job niet kreeg dan wel verdiende. Hij moest echt wel een héél slecht mens geweest zijn om nu in dit leven zo gekweld te zijn.

Hij wist hoe hij er aan toe was: slecht betaalde job, weinig promotiekansen, een lamentabel sociaal leven en een liefdesleven dat op een laag, zo niet dood, pitje stond. Hij was eigenlijk een product van een kruispunt van twee samenlevingen.

De eerste, een producerende samenleving. De arbeidersklasse brengt arbeidersklasse voort. Goedkoop en vervangbaar vlees voor de machines: de draaibank, de schaafmachine, het weefgetouw. De tweede, de kennismaatschappij. Gefocust op soft skills, targets. Niet wat je kunt is belangrijk, wel wie je bent. Wie je kent. En hij valt daartussen. Tussen wal en schip.

Hij was voorbij de dertig, voorbij de vijfendertig, zelfs. Al wou hij dat zelf niet toegeven. Hij had blauwe ogen en grijzend haar. Hij was al jong grijs geworden. Een ontwikkeling die hij ooit trachtte tegen te gaan door het overvloedig kleuren van zijn haar. Alsof hij kon vechten tegen de tijd. Alsof hij wél de bierkaai de baas zou kunnen. Tot hij ook daar de brui aan gaf.

Eindelijk paste de sleutel in het sleutelgat en kon hij de kilte van zich afschudden in de woonkamer van zijn kleine, goedkope arbeidershuis. De kamers geverfd in pastelkleuren gaven een troosteloze aanblik, die weerspiegeld werd in zijn gelaatsuitdrukking. Hij had geen spiegel nodig om die te zien. Hij wist dat zijn gezicht de sporen droeg van zijn hard bestaan.

Hij gooide zijn rugzak op de grond. Zijn rugzak was al twintig jaar zijn trouwe metgezel. Sinds zijn eerste werkdag nam hij die, apetrots als hij toen nog was, mee naar kantoor. De inhoud? Een plastieken boterhamdoos waar er nog steeds chocopasta van twee dagen ervoor tegen de wanden plakte. Een appel die door zijn eigen onhandigheid op de vloer van het pakhuis belandde. De appel was niet meer maagdelijk groen maar vertoonde een bruine plek waar hij onzacht in aanraking kwam met de vloer.

Vervolgens ontdeed hij zich van zijn lange, grijze regenjas. Het was de werknemers zeker niet verboden om in volledig uniform naar huis te gaan, maar hij kon het niet meer. Hij schaamde zich dood voor wat hij geworden was. Een uithangbord zijn van een bedrijf dat hem eerlijk gezegd uitkneep, uitbuitte en uitspoog, en dat na zijn uren, dat kon hij niet aan. De fluo-geel-met-groene regenjas lag op de passagierszetel van zijn wagen, en zou tot de volgende dag onaangeroerd blijven. Zelfs het aanraken van die jas confronteerde hem met zijn mislukkingen in het leven.

Zijn uniform dat hem omsloot als een mobiele gevangenis brandde om zijn lijf. Het was een stigma, zeker in deze tijden van automatiseringen waarin facteurs, want dat was de titel die mensen hem toedichtten, relieken waren van een vervlogen tijd. Postbodes, dat waren in de perceptie van de mensen overbetaalde nietsnutten die eigenlijk de weg zouden moeten opgaan van de handgeschreven brief. En toch was hij postbode, hier, in de 21ste eeuw. Een postbode, in de traditie van de Perzische Koninklijke Weg, die van de Cursus Publicus over de rondtrekkende spekslagers tot de postbodes van nu is beland.

Hij was al lang geen postbode meer zoals die er vroeger waren: de zwarte, lederen riem van de posttas om de nek geslagen. Of om het stuur van zijn zwarte, zware fiets. De kepie op het hoofd die aanduidde dat hij voor de staat werkte. Een persoon die er nog stond. Die weliswaar nooit gezag afdwong als de blinkende knopen van de rijkswachters ooit deden, maar toch: de mensen respecteerden hem wel, in zijn beginperiode. One-on-one telecommunicatie was beperkt tot de telefoon, voor al de rest had je nog briefpost nodig.

Maar dat was toen. Van dat statig uniform is nu maar bitter weinig meer over. Hij liep eigenlijk gehuld in lompen die groen en geel waren geverfd, en die door kindertjes in lageloonlanden voor een prikje in elkaar gestikt waren. Of niet, want bij elke kledijlevering was er wel iets dat door de mazen van het net glipte.

Hij trok zijn uniform uit en zijn alledaagse kledij aan. Hij dacht er nog aan hoe bevrijdend dat telkens voelt als hij zijn gevangenisplunje, zoals hij dat telkens beschreef, ergens tegen kon kwakken. Behalve die keer dat het bundeltje tegen zijn bureaulamp belandde.

Snel haalde hij de porseleinen theepot in koeienmotief uit de kast en zette hij die op het aanrecht. Dat was een vast ritueel geworden. Na de dagtaak telkens een kopje thee, om de gedachten te verzetten, om even “weg” te zijn. Althans, dat was het idee toch. Want zo gauw als de sneeuw is verdwenen, gaat ook dat ritueel terug de kast in. Tot het volgend jaar.

Maar nu was het winter. Zo voelde het toch. Het was nog maar oktober, maar Koning Winter had besloten om het land te vereren met een vroeg bezoekje. Het gefluit van de fluitketel was een perfecte imitatie van hoe hij zich vanbinnen voelde: onder druk, klaar om uit elkaar te barsten. De kop thee bracht een beetje soelaas. De specerijen vervingen de wrange smaak van het falen die al ettelijke jaren zijn gehemelte vulde, al was het maar voor een tijdje.

‘Waarom doe ik dit mezelf toch aan?’ vroeg hij zich elke dag af. Hopend dat er misschien ooit een tweede stem die de zijne niet was eindelijk een antwoord zou geven dat steek houdt, maar het bleef weer eens ijzig stil.

Een deel van het antwoord wist hij wel al. Hij was immers zo opgevoed. Als de ouders het been zijn waarop de kinderen hun tanden slijpen, dan was het toch al een heel stuk duidelijker waarom zijn leven net zo uitdraaide.

Zijn moeder was een fragiel oud vrouwtje dat van het leven net die éne klap te veel kreeg. Opgegroeid in een groot gezin ergens langs de grens met Frankrijk en omwille van de textielnijverheid naar de grote stad getrokken. Ze was opgegroeid in relatieve armoede, en was dan ook maar wat trots toen ze haar gezin, door te gaan werken vanaf haar veertien jaar, een zekere levensstandaard kon aanbieden. Nadat de textielfabriek failliet ging, sleet ze de laatste jaren van haar professionele carrière als werkneemster bij de lokale overheid. Doordat ze zo veel werkte, was ze ook zo vol van het werken an sich: werk is goed, en niettegenstaande ze op pensioen was, zou ze, als ze kon, zo terug aan de slag gaan. Ze was van het soort dat liever werkt dan dat ze thuis zit. Wat ze echter niet doorhad, was dat de achteruitgang van haar fysieke toestand grotendeels te wijten was aan de vele uren die ze doorbracht aan weefgetouw of steekkar. Elke aanval op het instituut “werk” of “loonslavenarbeid” aanzag ze dan ook als een aanval op haar persoon. Als een paladijn verdedigde ze het werken verbaal met hand en tand. Niet zonder enige (ongepaste) trots orakelde ze te pas en te onpas dat haar zoon postbode was.

Zijn vader was een gepensioneerd metaalarbeider die werkte bij een lokale wasmachinefabrikant. Hij had voor zichzelf een andere carrière uitgestippeld. Zijn broer zat bij de commando’s in Zaïre ten tijde van de onafhankelijkheid en daarom was hij vrijgesteld van de dienstplicht. Hij zag wel wat in het militarisme en daarom tekende hij toch voor de paracommando’s. Na zijn dienstplicht wou hij ook bijtekenen om beroepsmilitair te worden. Dat was buiten zijn moeder gerekend. Zij hield hem tegen en zo nam hij dan maar genoegen met een bestaan als loonslaaf. Toch was hij niet helemaal verloren: hij kon zijn militaristische neigingen botvieren in de thuissituatie. Nu hij op pensioen was, deed hij bitter weinig meer dan in de zetel horizontaal aanwezig te wezen, vette troep naar binnen spelen en dat weg te wassen met copieuze hoeveelheden alcohol. Hij was een weinig lamentabele man, die overleed aan de gevolgen van aderverkalking.

Het gezin was een doorsnee arbeidersgezin. Van veertig jaar geleden. Vader zwaaide de scepter. Hij duldde geen tegenspraak. Zijn wil was wet. Hij hield zijn macht angstvallig vast en brulde en tierde dat het een lieve lust was.

Zijn jeugd was een relatief gelukkige. Er was wel vaak ruzie thuis, maar als je een introvert persoon bent, heb je wel nog het voordeel dat je je héél klein kan maken, onbestaand zelfs. Je kunt dan wegkruipen in een klein hoekje, met of zonder boek, en hopen dat het snel weer overwaait. De grond waar zijn ouderlijk huis stond, bevatte naast het “hoofdhuis” ook een “kot” en een garage. Dat was ver genoeg van de woonkamer waar het vroeger wel eens durfde kletteren. Ruzie was trouwens iets opvallend eenzijdig in Max’ huis. Het begint met vader die een controversiële mening uit, hoe controversiëler, hoe liever. Max gaat daar tegen in, vaak ingegeven door maatschappelijk engagement. Vader reageert, Max reageert. En dan schreeuwt moeder de boel bij elkaar, en is er een consensus: vader heeft gelijk.

En je had dan ook school, natuurlijk. Kleuter- en lager onderwijs werden voor alle kinderen van het dorp aangeboden in een school die naast die leerjaren ook secundair onderwijs aanbood en gerund werd door de Zusters Van Liefde. De testen die Max aflegde, duidden op een fijner taalgevoel. Maar handigheid, dat was niet zijn ding. Het stond dus in de sterren geschreven dat hij zijn secundaire schoolloopbaan zou aanvangen in de middelbare school van de lokale zusterorde.

Maar zijn vader zag dat anders. Hij had school gelopen in de vakschool. En wat er ook van zij, Max zou hetzelfde lot beschoren zijn.

Graag commentaar!

A long time ago, in a galaxy far, far away…

Zo begint de volgens Stefan Kuipers “meest jongensachtig der jongetjesfilms”, Star Wars.

Onze vriend Kuipers krijgt een vrij podium (wel anderhalve pagina) om halve waarheden en flauwekul te verspreiden.

De dag van vandaag is het een mooie bezigheid (al dan niet onbestaande) ongerechtigheid tussen de geslachten aan te kaarten, en daar dan woorden als “fluitleg”, “manel, “mansplain”, “man-flu” en “manspreading” te gebruiken.

Nu dus ook Star Wars.

De schrijver van het stukje is wel héél slecht ingelicht.

* Volgens mij is de schrijver van het artikel iemand die constant de “neurts” (sic) (nerds) pestte op school, en daar zo verslaafd werd aan de aandacht die hij kreeg, dat hij zijn praktijken verder zet tot in het volwassen leven.

* Hij meent ook te weten dat alle jongetjes nu in een kramp moeten schieten omdat – oh ramp – de vrouwen te langen leste ons heiligdom hebben onteerd.

Welnu, daar is hij verkeerd. Voor ons was het nooit een strijd van man vs. vrouw. Maar van goed tegen kwaad, en ook wie eerst schoot: Han of Greedo. Star Wars is nooit van ons geweest. Maar van iedereen. Hij gebruikt dan ook heel verkeerdelijk het woord “fanboys”, alsof wij “kwaad” zouden zijn.

De enige die discrimineert tegen geslacht, en geslachten tegen elkaar opzet, is hij zelf. Hij is het, die denkt dat wij Leia anders zouden behandelen dan Luke. Voor mij was Star Wars (Hope) een verhaal van vijf helden: Luke, LEIA, Han, Chewie en Obi-Wan. Leia hoorde er bij. Zonder meer. Wij zagen niet dat zij sterk was, en als vrouw dat dat bewonderenswaardig was, neen, wij zagen een sterke vrouw. Een rebellenleider. En dat geslacht had daar niet veel mee te maken.
Hij is het, die de slechte kwaliteiten egoïsme, eerzucht en koudwatervrees toedicht aan Han, Anakin en Luke, en die lyrisch is over elke vrouwelijke hoofdrolspeler in de Star Wars films.

En natuurlijk zijn die niet te verleiden tot de Dark Side (kuch, Ventress, kuch) en zie je ze niet, behoudens als piloten ergens in Rogue One. Geen leidinggevende functie voor die vrouwen in die films, op Leia na. Mon Mothma zullen we dan maar vergeten.

Stefan probeert vooral interessant te doen door dingen te zoeken die er niet zijn. Door polemiek te creëren waar er geen is. Terwijl we gewoon naar Star Wars willen kijken.

Man en vrouw.

De Standaard, 28 september 2016

Dit als reactie op het voorpagina-artikel van dS op 28 september 2016. Daarin oppert de rector van de Universiteit Hasselt dat universiteiten, net als vroeger, terug elitair worden.

Helaas moet ik hem daar gelijk in geven. De oorzaken? Even illustreren met mijn voorbeeld, gekruid met wat dingen die ik in de les Sociologie geleerd heb.

Klassen

En wat ik nu vertel is Sociologie 101. Denken we eens aan de stratificatie: Hogere, midden-, lagere en onderklasse. Mensen uit de lagere klasse en de onderklasse stimuleren hun kinderen vooral om zo snel mogelijk geld te verdienen. Dat moet niet veel geld zijn, dat moet vooral zo snel mogelijk zijn. Vanaf hun achttiende, dus, wanneer ze het secundair vaarwel zwaaien. Tijd om geld in het laatje te brengen. In een fabriek, bij voorkeur, soms zelfs bij de ouders zelf in het zelfde bedrijf. En zo wordt de vicieuze cirkel in stand gehouden. Protesteren kan niet, want net door de onderlinge financiële afhankelijkheid hangen de lagere klassengezinnen strikter aan elkaar en wordt de autoriteit van (veelal) de pater familias niet in vraag gesteld. Befehl ist befehl. Het kritische denken waar men zo hoog mee oploopt in de universiteiten (durf denken) is uit den boze: vader heeft gelijk. Als wit wit is en vader zegt dat het zwart is, is het zwart. Uit mijn eigen leven kan ik aanhalen dat mijn beslissing om voor een graduaat te gaan – ook al was het ’s avonds en onderbrak dat dus mijn werkschema niet drastisch – niet op gejuich werd onthaald, integendeel.

Mensen uit de hogere klassen daarentegen hechten meer waarde aan (zelf)ontplooiing. Daar worden de kinderen al van jongs af aan aangespoord om hun talenten aan te boren en (relatief) onafhankelijk te zijn. En dat vertaalt zich dan meestal ook in een studiekeuze in het ASO en daaropvolgend universiteit.

Niveau

Echter, soms resulteert dat in situaties die in de twee richtingen kunnen werken. A komt uit een gegoede (hoogopgeleide) omgeving en kiest ASO, ook al kan hij dat niet aan. Hij gaat daarna naar de universiteit want een diploma is heel belangrijk. B komt uit een laaggeschoolde omgeving en is erg knap (verstandelijk). Helaas hebben zijn ouders geen brood gezien in een verdere opleiding en wordt de zoon linea recta richting vakschool gestuurd, om een metier te leren. Want dat leer je in een vakschool. Klaar om de arbeidsmarkt te bestormen, op je achttiende. Potentieel verknald.

Perceptie

Het probleem ligt eigenlijk al in de wieg. Waar in hooggeschoolde omgevingen ook wel neergekeken wordt op de laagopgeleide onderklasse, is dat in de arbeidersmilieus minstens even ‘erg’.

Universiteiten worden er afgeschilderd – als er al van gepraat wordt, wat in mijn geval niet zo was – als bastions waar jij vooral niet zal geraken, iets dat vooral voor de ‘anderen’ (lees: rijkeren) is, je toekomstige bazen. Het woord ‘universiteit’ wordt uitgesproken als was het een vuile ziekte, in een intonatie die weinig goeds voorspelt. Protserig, zeg maar.

Universiteitsstudenten worden dan weer geportretteerd als luiaards, tamzakken en broekverslijters die eigenlijk niets anders doen dan vijf jaar verlof pakken. Minstens vijf jaar.

Wij tegen zij

Beelden die van beide kanten begrijpelijk zijn, maar kant noch wal raken. Willen de universiteiten minder elitair zijn en een erfelijke meritocratie nog steeds een doembeeld van de toekomst blijven, dan moeten de universiteiten de kinderen van laaggeschoolden rechtstreeks aanspreken.

Aan de ouders moet je het niet uitleggen, die zijn al vastgeroest in hun perceptie. Ga naar de vakscholen, ga naar het BSO. Stel de universiteit voor in simpele, maar correcte bewoordingen. Leer hen dat ze ook verder kunnen studeren met hulp van de overheid als thuis niet wil / kan tussenkomen. Toen ik mijn laatste twee jaar in het BSO doorbracht, werd er met geen woord gerept over de universiteit, of de hogeschool.

Eigenlijk moet je al vóór de sprong naar het secundair eens kunnen spreken over de universiteit. Voor mij is het te laat. Maar misschien voor de komende generatie nog niet.

Discriminatie bestaat, nog altijd. Zelfs onder autochtonen.

Gisteren onderging ik mijn taalscreening voor mijn lerarenopleiding. Dat ze streng moeten zijn, begrijp ik wel. Ik accepteer dat ook. Wat ik niet accepteer is dat de ene regionale afkomst blijkbaar erger is dan de andere. We hebben daar een woordje voor. Niet?

Er passeerden mensen met taalproblemen van allerlei pluimage. “Kunde”, “godde”, “maakn”, “dikku” en allerhande Brabantse probleempjes. De taalcoach stelde dat dat geen probleem was, gewoon een beetje aan werken en dat zal dan wel zichzelf oplossen.

Voor West-Vlaamse aangelegenheden, zoals de “e”, “a”, “g” en “h” (alhoewel ik uit West-Vlaams standpunt moet zeggen dat de “h” niet bestaat), die zijn het wel waard om door een logopedist te worden gepakt.

Dus een Brabantse “e” is minder erg dan een West-Vlaamse “e”.

I call racism on that.

(Her)inschrijven

Tags

Alles moet digitaal, de laatste tijd, zo ook herinschrijven op school. Ga naar deze pagina op het DIGITAAL leerplatform, verstuur DIGITAAL je aanvraag, dan krijg je in je mail een wederom DIGITALE aanvraag om te betalen, dat je ook DIGITAAL moet doen…

Jumping Jesus fucking Christ on a pogo stick, niet iedereen kan online betalen. Komt er dan nog eens bij dat je je fysiek moet presenteren als je je INSCHRIJFT. Niet als je je HERinschrijft, want dan is het niet nodig. Dan moet het DIGITAAL.

Gelet op het feit dat ik veranderd ben van studierichting, stelt zich de volgende situatie: ik schrijf mij in aan dezelfde school voor een andere richting. Is dat dan herinschrijven? Dat ze het zelf niet weten, actually. Volgens Artevelde zelf is dat inschrijven. Volgens degene die zich daar mee bezig houdt is het herinschrijven en het DIGITALE secretariaat weet van niets.

Back in the days was het toch simpeler: gewoon u inschrijven op papier, klaar.

Ranting 1

Tags

Misschien ken je die plaat van Queen wel (volgens mij de laatste waarin Freddie nog een rol in een video speelde). “These are the days of our lives.”

Best een retrospectieve titel. De dagen van ons leven. En aangezien ik al heel mijn (volwassen) leven retrospecteer (is it a word? It is now) dat het een lieve lust is, is het niet zo verwonderlijk dat ik mezelf daar wel in herken.

Ach wat, ik ben nog maar in mijn “early” thirties (of is going on 34 al mid-thirties) en ik heb nog alle wegen in te slaan. Mis poes, denk ik dan. Want de belangrijkste jaren van mijn leven, mijn twintiger jaren, zijn eigenlijk verkloot door een keuze die de mijne niet was maar die wel heel mijn leven verder zou bepalen.

Want ook het leven gaat verder en dan heb je plots een huis. Verplichtingen. Zeggen van “ik stop met werken en ga terug naar school” is plots geen optie meer, niet dat dat ooit een optie was met de inquisitie thuis. Want hoe je ’t draait of keert, hoe lager op de sociale ladder (zeker wanneer je lagere klasse of onderklasse bent), is sociale mobiliteit nog altijd niet vanzelfsprekend.

Lage sociale klasse = vooral er voor zorgen dat je geld verdient. Niet zo veel mogelijk, wél zo snel mogelijk. Zo ook ik, maar toch voel ik dat mijn ontwikkeling is blijven steken op mijn achttiende – in het BSO at that.

Persoonlijke ontwikkeling is niet belangrijk, geld verdienen is dat wel. En dat steekt, eigenlijk. Voor mij niet het leren over de geschiedenis van het Engels… Het enige wat ik krijg zijn hapklare brokken professioneel aanwendbaar Engels. Zo is het, en niet anders, het waarom, dat is niet voor mij.

Ik heb al lang de droom opgegeven ooit in een universitaire aula mijn papiertje in ontvangst te mogen nemen. Is dat jaar Communicatiemanagement dan verloren? Neen. Het toonde aan dat ik wel degelijk mee kan.

Misschien kan ik als leraar – àls ik in die richting verder doe – jongere mensen inspireren om het beste uit zichzelf te halen. Als ik één jongere uit het BSO naar de unief kan helpen gaan, mission accomplished.

Change of plans

Het eerste jaar voor mijn bachelor Communicatiemanagement zit er op. Het verdict? Over de punten ben ik tevreden. Met 14’en en 13’en voor mijn hoofdvakken en slechts drie herexamens kan dat ook moeilijk anders. Over de zgn. “begeleiding” iets minder. Trek uw plan is iets wat mij er vooral van bij bleef. Een cursus die we in januari moesten krijgen pas in mei krijgen, bijvoorbeeld. En als je dan uitleg vraagt, doodleuk horen dat het “examenperiode is en dat daar dus geen tijd voor is”. En dan ook nog eens een taak krijgen, zo ter elfder ure. Welk vak het is, maakt niet echt uit.

Gelijk hoe, ik zal dus van koers veranderen, en mij toeleggen op de dingen die ik wél kan: Nederlands en Engels. Gecombineerd met het feit dat ik graag opleiding geef kom ik uit aan Lerarenopleiding Secundair Onderwijs Nederlands – Engels, aan hetzelfde illustere Arteveldehogeschool-instituut.

Hopelijk gaat dat beter.

Dit is Vlaamse Stront

Wij zijn koene kerels en toffe teven
Vacante blik ik wijs naar mijn schoenen
Franse auto komt nu in beeld
 
 Yzerpoort
Rij nu weg van smuide dit is Vlaamse stront
Nog eens smuide dit is Vlaamse stront
Twee domme kanonnen samen dit is Vlaamse stront
Elektro-akoestische gitaar dit is Vlaamse stront
 Brussel
Nu wat communautair gelul
Over Brussel wat zijn we groot
We haalden bijna niet meer de kiesdrempel
Volgende verkiezing zijn we piepedood
 Gent
Gravensteen gaan kijken dit is Vlaamse stront
We wijzen beiden naar onze schoenen dit is Vlaamse stront
In een geitje door Gent dit is Vlaamse stront
Vannacht niet geslapen, dit is Vlaamse stront
 Dilbeek
In Dilbeek snel jonge meisjes oppikken
Ze mag op de achterbank naast gitaar
Nu snel wat militant gaan doen voor de caam’ra
Onze drummer krijgt bijna een attaque
 Barbecue
Nu gaan we eten, de centjes zijn verdiend
Snel wat papiertjes rond onze cara pils
Snel nog wat met onze vuistjes zwaaien
De brochetten en worsten klaar, voor elk wat wils
 Vijver
Met ons geitje in het park, op Vlaamse grond
Het mag wel niet maar we zijn op Vlaamse grond
—- En dan nog wat repetitief gelul

Terug naar eigen land?

Er was een Turk die perfect Nederlands praat en dus, volgens sommigen (Peter De Decker), hier geboren is. Niemand kan immers Nederlands leren, en al zeker niet met een kleurtje, die moeten er altijd gutturale klanken bij gooien.

Die Turk verweet Zuhal Demir dat ze een terroriste was, omdat ze poseerde bij een vlag van de PKK. Qua politieke neutraliteit kan dat wel tellen, maar dit eventjes terzijde.

De Decker opperde dat de Turk hier misschien niet thuishoorde met zo’n gedachtegoed, niettegenstaande hij hier geboren en opgegroeid is. Dus alles wat maar een beetje bruin is, kan dus teruggestuurd worden naar… eigen land? Die man is hier geboren.

Als we die achterlijke denkpiste volgen, moet ik er enkel maar aan toevoegen dat Demir er ook niet Vlaemsch uitziet, en dat haar uitlatingen mij en anderen ook tegen de borst stuiten.

Terugsturen dan maar?