Vandaag was het in de echokamer “mijn gedacht” de beurt aan de dochter van een (voorheen) prominente zangeres, die zich blijkbaar heel belangrijk waant en haar moment de gloire op Radio 2, dat nu eens niet gevuld is met iets wat alleen categoriek muziek kan genoemd worden, verkwist met het natuurlijk weer over zichzelf te laten gaan. Immers, net als de gastheer P, is ze niet gespeend van zogenaamde haatspraak op het internet. Lees: de mensen moeten haar muziek niet en laten dit dan ook blijken.
Haatspraak. Ik vind haat een zeer gemakkelijke vlag om de lading te dekken, gaande van mijden over misprijzen tot effectieve haat, ingegeven door het Engels, want over de plas zien ze alles wat niet in hun kraam past als “haat” en het uiten daarvan als “haatspraak”.
Ik was niet zo’n populair kind op school, want in tijden dat subcultuur nog sterker afgebakend was en net als gender niet zo fluïde was als nu wordt beweerd, was je als iemand die anders was (lees: een “neurt” (nerd)) vaak kop van Jut van de tactisch geschoren holbewoners. Ik kan niet zeggen dat ik nooit huilend ben thuisgekomen, maar dan was het devies van de leraren en vooral dan mijn vader dat ik “normaal” moest doen en je leert dat dan ook wel.
Maar was het haat? Neen. Misprijzen, dat wellicht wel. Maar de dag van vandaag, in dagen van lange tenen en langere blogposts is alles haat dat niet in het kraam past van degene die het leest.
Stel nu, puur hypothetisch, dat ik zeg dat die persoon een irritante trut zonder talent is die een recente gebeurtenis aanwendt om haar tanende carrière die maar niet van de grond geraakt een zetje te geven, terwijl ze nog niet aan de enkels van haar moeder, die wel kon zingen, de Zomerhit daargelaten, komt, ook toen dochterlief nog een pak dikker was, is dit haatspraak, polemiek of satire? Mag ik zeggen dat ze niet haar moeder is? Dat er heel wat talent aan te pas komt om zich met haar te evenaren? Ik zeg niet dat het zo is, hé, het is puur hypothetisch. Wat ik van de persoon vind, laat ik buiten beschouwing – of ik mag me aan een GAS-boete verwachten.
Ze komt af met het idee om haat te beboeten (op het internet). En iedereen snuffelt haar scheten op, bang om haar te bruuskeren, immers, het kind is nog maar pas haar moeder kwijt, en als je dat nog geen plaats kunt geven, snap ik dat je niet veel tegenwind kan verdragen. Zelf ben ik verleden jaar pas mijn pa kwijtgeraakt maar ik kon het onmiddellijk plaatsen. Is dit veerkracht? Ik weet het niet. Los dan van de persoon, de boodschap: laten we haat beboeten. Oké.
Wat is haat? Wat is haat voor u, wat is haat voor mij? Juridisch is haat het volgende, als ik unia mag geloven: “Haatspraak: in een democratie is er vrijheid van meningsuiting. Je mag dus ook een mening uiten die anderen ervaren als schokkend, verontrustend of kwetsend. Die vrijheid is niet absoluut. In sommige gevallen zijn uitspraken strafbaar en is er sprake van (strafbare) haatspraak. Denk bijvoorbeeld aan in het openbaar kwaadwillig aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegenover mensen of groepen wegens een of meer beschermde kenmerken.” Zeggen dat je haar niet goed vindt, is niet aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegenover mensen of groepen.
Ze ijvert er voor om “azijnpissers” gasboetes te geven. Maar wát is een azijnpisser eigenlijk? Iemand die eloquent kan aangeven dat wat de ander produceert niet zijn of haar ding is? Moet je mensen al beboeten voor eloquentie?
Als ik zeg dat ze niet kan zingen, bedoel ik dat haar schreeuw om aandacht – pardon, muziek – mij niet kan bekoren. Sta ik haar dan daarmee naar het leven? Ik mag het hopen van niet. Want dat is haat – elkaar naar het leven staan. En ik haat haar niet. Over het paard getild, ja, wellicht.
Bottom line: de ene haat is de andere haat niet, en wie jouw gebral niet kan horen, haat jou daarom niet meteen. Grow a set, grow a spine.